De hotelbelegger die nee leerde zeggen
Ze kocht jarenlang elk hotel dat te koop stond. Nu kiest ze er een op de tien. Over geduld, exploitanten en de waarde van een goed contract.
Ze beheert een hotelportefeuille van ruim twintig gebouwen voor een familiefonds. Haar naam wil ze niet in de krant, haar lessen wel delen.
U koopt minder dan vroeger. Waarom?
"Omdat ik heb geleerd dat een hotel geen kantoor is. Bij een kantoor koop je een gebouw met een huurder. Bij een hotel koop je een bedrijf. Als de exploitant het slecht doet, merk je dat direct."
Waar let u nu op?
"Eerst op de exploitant. Hoe lang bestaat het bedrijf, hoe goed zijn de cijfers, hoe gaan ze met personeel om? Daarna op het contract. Ik wil een huurcontract met een vaste huur en een deel dat meebeweegt met de omzet. Zo delen we de risico's."
Het beste hotel dat ik heb gekocht, was het hotel dat ik niet kocht.
Welke deal liet u lopen?
"Een prachtig hotel aan het water. Mooie cijfers, goede plek. Maar de exploitant wilde alleen een contract op basis van omzet. Een jaar later had het hotel een slechte zomer en daalde de huur met veertig procent. Ik was blij dat ik nee had gezegd."
Hoe ziet u de markt nu?
"De bezetting is hoog en de kamerprijzen stijgen. Dat trekt nieuwe beleggers aan. Dat is goed, maar het maakt me ook voorzichtig. Als iedereen wil kopen, moet je extra goed kijken."
